Het Nieuwe Transfersysteem (update): het eerste hervormingsvoorstel ligt er
Waarom een concreet model voor het post-Diarra systeem ertoe doet en waarom FIFA het niet gaat overnemen.
In deze reeks (deel 1, deel 2, deel 3, deel 4) is betoogd dat er na Diarra weinig zichtbaar verandert, maar dat onder de oppervlakte het juridische fundament wel degelijk is verschoven. Sindsdien is dat beeld vrijwel onveranderd gebleven: clubs wachten af, intermediairs zwijgen, FIFA voert overleg.
Tot vorige week.
Op 24 april 2026 publiceerde Albert Riera, Vice President bij Compass Lexecon, een paper waarin hij een concreet hervormingsmodel voor het nieuwe transfersysteem voorstelt. Het is (voor zover bekend) het eerste publieke, uitgewerkte voorstel sinds het Diarra-arrest.
Dat is op zichzelf nieuws. Maar belangrijker is wie het voorstel schrijft, wat het zegt, en waarom FIFA het waarschijnlijk niet zal overnemen.
Wie de auteur is, doet ertoe
Compass Lexecon is geen toevallig adviesbureau dat zich over Diarra heeft gebogen. Het is hetzelfde bureau dat de schade-inschatting heeft gemaakt voor de class action van Justice for Players: gemiddeld 8% loonderving per speler, opgeteld €6 miljard in Europa, €8 miljard wereldwijd over circa 100.000 spelers. Riera zelf werkte aan de schadeberekening voor Diarra persoonlijk.
Dat plaatst zijn paper meteen. Dit is geen neutrale waarneming, maar de economische denktank van de spelerskant die formuleert hoe een Diarra-bestendig systeem eruit kan zien als je de mobiliteit van spelers serieus neemt.
Dat maakt het stuk niet minder relevant, eerder relevanter. Voor het eerst staat zwart-op-wit hoe een van de twee polen waartussen het nieuwe systeem gaat landen, dat systeem voor zich ziet.
Van reglement naar contract
Voordat we naar het voorstel zelf gaan, even één zin om Diarra samen te vatten, want zonder dat is geen enkel hervormingsvoorstel goed te plaatsen.
In het oude systeem werd door één centraal FIFA-reglement (de RSTP) bepaald wat een speler kon doen als hij weg wilde, wat dat zou kosten, en wie dat beoordeelde. Het Hof oordeelde dat het reglement op te veel punten in strijd is met Europees arbeidsrecht. Niet omdat transfers op zich onrechtmatig zijn, maar omdat een privaatrechtelijke organisatie als FIFA niet als vervangende arbeidswetgever kan functioneren.
Het gevolg is een fundamentele verschuiving: van een systeem dat wordt gedragen door één centraal reglement naar een systeem dat wordt gedragen door individuele contracten, getoetst aan gewoon arbeids- en contractrecht.
Een speler die wil vertrekken kijkt straks niet meer naar wat artikel 17 RSTP zegt, maar naar wat zíjn contract zegt. En als er geschil is, kijkt geen FIFA-tribunaal maar uiteindelijk een nationale rechter.
Daarmee wordt de inhoud van het contract het hele spel. Wat staat erin? Wat staat er níét in? Houdt het overeind onder de proportionaliteitstoets van een gewone rechter?
Dat is de open vraag die Riera met zijn paper als eerste publiekelijk probeert te beantwoorden.
Wat Riera voorstelt
Zijn startpunt: een werkbaar systeem moet drie dingen tegelijk doen:
De speler moet vooraf weten waar hij aan toe is.
Hij moet ook in de praktijk kunnen vertrekken, niet alleen op papier.
En de hoogte van een eventuele schadevergoeding mag niet afhangen van afspraken tussen clubs waar hij zelf niet bij was.
Spanje lijkt op papier al een systeem te hebben dat dit doet: de afkoopclausule. Speler en club spreken bij ondertekening een vast bedrag af. Wil een derde club die speler hebben en is bereid dat bedrag te betalen, dan kan de speler vertrekken zonder toestemming van zijn huidige club.
Dat klinkt schoon. In de praktijk werkt het anders.
Riera laat zien dat Spaanse afkoopclausules in de regel 100% tot 1.900% boven de feitelijke marktwaarde worden gezet. In het seizoen 2025/26 verliepen slechts 3 van de 77 LaLiga-transfers van spelers onder contract daadwerkelijk via die clausule. De clausule fungeert dus niet als exit-recht maar als veto-recht: clubs zetten hem zo hoog dat hij nooit wordt geraakt.
Riera’s voorstel is daarom niet “neem het Spaanse model over”, maar: neem het Spaanse model én plak er een wettelijke bovengrens op. Hoe hoog die bovengrens mag zijn, koppelt hij aan het loon dat de speler bij zijn nieuwe club gaat verdienen. Empirisch zijn transfersommen in Europese topcompetities gemiddeld ongeveer 4,5 keer het jaarsalaris bij de nieuwe club. Dat geeft een logisch ankerpunt.
Tot slot pleit hij ervoor dat zo’n cap niet door FIFA wordt opgelegd, maar via een echte CAO tussen clubs en spelersbonden wordt onderhandeld.
Dat klinkt procedureel, maar is juridisch cruciaal: zodra arbeidsvoorwaarden via collectieve onderhandeling zijn vastgelegd, vallen ze onder Europese rechtspraak (de zogenoemde Albany-lijn) buiten het mededingingsrecht. Een CAO-route maakt het hele systeem juridisch veel moeilijker aan te vechten dan een unilateraal FIFA-reglement.
Waarom FIFA dit niet gaat overnemen
Vergelijk dit voorstel met waar FIFA zelf naartoe lijkt te bewegen. Sportjurist Pierfrancesco Visci vatte de FIFA-richting onlangs samen: contractuele vrijheid tussen partijen om de financiële gevolgen van contractbreuk vooraf vast te leggen, en het Football Tribunal grijpt alleen in als een afgesproken bedrag “excessive or manifestly unfair” is. Geen cap, geen salarismultiplier, geen verplichte CAO-route.
Het verschil tussen die twee modellen is fundamenteel.
Riera’s model verschuift de waarde structureel naar de speler. Een cap op clausules zorgt ervoor dat biedconcurrentie tussen geïnteresseerde clubs neerslaat in salaris bij de nieuwe club, niet in een hogere transfersom voor de oude. FIFA’s vermoedelijke model behoudt zoveel mogelijk van het bestaande evenwicht: hoge transfersommen blijven mogelijk zolang ze “verdedigbaar” zijn, en het tribunaal blijft de toetsende instantie.
Dat FIFA niet de Riera-richting kiest, is geen toeval. FIFA heeft historisch nooit als haar taak gezien om de macht- en geldverhoudingen in de voetballerij te egaliseren. En het oude systeem werkt economisch nog prima voor degenen die er belang bij hebben: clubs en intermediairs.
De juridische druk komt vrijwel uitsluitend van buiten: Justice for Players, nationale rechters, en de proefprocessen die nog moeten komen.
Wat er waarschijnlijk komt, is dus geen Riera-systeem en geen pure status quo. Op het recente FIFA Law Congres werd bevestigd dat FIFA streeft naar een aangepast reglement vóór 1 juli 2026, om gereed te zijn voor de zomerwindow. Verwacht een tekst die juridisch de minimaal noodzakelijke aanpassingen doet, en daarna jaren van jurisprudentie waarin nationale rechters bepalen waar de werkelijke grenzen liggen.
In dat traject is Riera’s paper geen blauwdruk, maar een referentiepunt. Spelers-advocaten zullen ernaar verwijzen. Tribunalen zullen ernaar gevraagd worden. En de afstand tussen wat FIFA wil en wat speler-economen verdedigbaar achten, wordt het terrein waarop het werkelijke systeem zich vormt.
Wat dit betekent voor Ajax
Voor Ajax is dit niet alleen een academische tweespraak. Het bedrijfsmodel van de club leunt op het vermogen om biedconcurrentie tussen geïnteresseerde Europese clubs om te zetten in transferinkomsten. In een gematigde FIFA-uitkomst blijft dat mechanisme grotendeels intact. In een Riera-richting verdwijnt het grotendeels.
Stel: een Ajax-aanvaller breekt door, scoort wereldgoals, en staat plots op shortlists in Engeland en Spanje. Drie topclubs zijn geïnteresseerd, en de afkoopclausule in zijn contract staat op €40 miljoen.
Lees hier meer over hoe Ajax deze zomer geholpen is met twee verkopen
Onder het oude regime zou de biedconcurrentie tussen die drie clubs Ajax bij een normale onderhandeling tot €60M of €70M kunnen brengen. Onder een gecapt clausule-systeem is €40M het plafond. Het surplus dat ontstaat door biedconcurrentie verdwijnt richting salaris en signing fees bij de nieuwe club: naar de speler en zijn entourage, niet naar Ajax.
Dat is iets specifiekers en scherpers dan “transfersommen dalen”. Het is dit: zelfs als de transfermarkt actief blijft, schuift de upside van biedconcurrentie weg uit de Ajax-kolom. Voor een club die structureel afhankelijk is van uitgaande transfers, is dat een eerstegraads verandering van het verdienmodel.
In welke mate Ajax dit gaat voelen, hangt volledig af van waar het systeem landt tussen de twee polen.
Vooruitblik
Binnenkort verschijnen de twee verdiepende delen van deze reeks: een gesprek met sportadvocaat Martin Bax (Vissers Legal) over wat juridisch standhoudt, en een gesprek met sporteconoom Thomas Peeters (Erasmus School of Economics) over wat economisch standhoudt.
Daarna volgt het slotstuk, met concrete Ajax-cases.
De boodschap van die delen, in kort bestek: juridisch verandert er veel, economisch wordt weinig opgelost, onzekerheid blijft.
En precies in die onzekerheid moet Ajax zijn keuzes maken.






