Financiële koerswijziging? En vier andere inzichten bij de Marcos Leonardo transfer
Duur in het oog, beheersbaar in de boeken? Vijf aspecten die de transfer in perspectief plaatsen.
De presentatie van Marcos Leonardo in de Johan Cruijff ArenA vindt elk moment plaats, met een contract tot medio 2031. De transfersom bedraagt naar verluidt 17,5 miljoen euro vast, plus zo’n 1,5 miljoen aan variabelen. Zekerheid komt via berichten van Ajax zelf. Al-Hilal legde in 2024 nog een kleine 40 miljoen voor hem neer.
De vraag óf Ajax zich deze spits kan veroorloven, kwam in een eerder stuk al aan bod. Dit is het vervolg: vijf concrete financiële aspecten. Niet om een oordeel te vellen, daarvoor is het te vroeg, maar om de cijfers naast elkaar te leggen.
1. Het salaris: van belastingvrij Riyad naar de Amsterdamse loonschaal
In Saoedi-Arabië verdiende Leonardo naar vrijwel zekere schatting zo’n 5,1 miljoen euro basissalaris, plus een kleine 1,3 miljoen aan bonussen. Het venijn zit in de fiscaliteit: over dat inkomen betaalde hij 0 procent belasting. Bruto ís daar netto. Wie datzelfde nettobedrag (het basissalaris) in Amsterdam wil evenaren, moet richting de 10 miljoen bruto. En dát betaalt Ajax gegarandeerd niet.
Hoeveel dan wel? De helft is een reële gok: een flinke knip voor de speler, tegelijk een topsalaris naar Amsterdamse maatstaven. Méér trekt het salarishuis te ver scheef, mínder is wel een hele grote stap achteruit voor de speler.
En juist die knip is misschien wel het interessantste gegeven van de hele deal. Dat Leonardo definitief komt (en niet als huurling) zegt namelijk veel over wat hij bereid is in te leveren. De huurroute lag open en was voor iedereen comfortabeler: Al-Hilal had geen boekverlies hoeven nemen, Leonardo van de spelerslijst gehaald (ruimte voor nieuwe aanwinsten), wel een deel van het salaris doorbetaald, maar de speler had zijn volledige contractwaarde kunnen blijven opstrijken.
Dat het tóch een definitieve overgang werd, betekent dat de speler openstond voor een serieuze reductie. De aantrekkingskracht van het project van Míchel en Cruijff woog blijkbaar zwaarder dan een riant salaris op de tribune in Riyad.
Blijft staan dat dit salaris, uitgesmeerd over vijf jaar, een forse last is. Samen met andere toppers op de loonlijst (Caio Henrique, en mogelijk de nog niet officiële Ter Stegen) en wie er deze zomer nog bijkomt, zoekt Ajax hiermee de grenzen op.
Het totaalpakket van salaris én transfersom is groot. Voor twéé of drie grootverdieners is er plek, maar veel meer is een last die Ajax niet makkelijk kan dragen.
2. De transfersom in historisch perspectief
Afgezet tegen de recente historie oogt de som fors. Het ging bij Ajax immers jarenlang over bezuinigen. Met 17,5 miljoen vast schuift Leonardo precies de top vijf duurste aankopen binnen: net boven David Neres (17,4 miljoen), achter Sutalo (20,5), Haller (22,5), Bassey (23) en recordhouder Bergwijn (31,25). Tel de bonussen mee en hij staat stevig als vijfde.
En zelfs die plek relativeert de kopsom. Wat in de boeken telt, is de jaarlijkse afschrijving: de vaste som gedeeld door de contractduur. Over vijf jaar komt Leonardo op 3,5 miljoen per jaar. Gerekend op hun vaste transfersom én op hun piek (contractverlengingen drukten die jaarlast later omlaag) zaten meer spelers hoger.
Naast bovengenoemde topaankopen, zaten óók Blind (4,25 miljoen), Promes (3,925) en Neres (3,9) daar allemaal boven, met Tadić (3,425) er nipt onder. Leonardo’s afschrijving is dus geen uitschieter, maar gangbare kost voor een serieuze aankoop. Een hoge kopsom over een lange looptijd kan boekhoudkundig zelfs lichter uitpakken dan een bescheiden som over drie jaar. Precies daarom vertelt de krantenkop maar het halve verhaal.
3. Vaart Ajax een nieuwe financiële koers?
Die oude, dure transfers voelen als een ander tijdperk. Lang was het ondenkbaar dat Ajax nog eens richting de twintig miljoen aan één speler zou uitgeven. En toch: deze transfer past nog altijd binnen de bestaande financiële kaders. Zelfs mét Leonardo erbij ligt het totaal aan afschrijvingen lager dan vorig seizoen. Qua salarishuis is het krapper, dat wel, maar ook dat is een tussenstand, geen eindstand.
Al jaren klinkt de roep om te “investeren”: meer geld uitgeven om de prestaties op te krikken. Ajax heeft de buffer, dus geef het uit: spend money to make money. Alleen leert de recente geschiedenis ook dat het zo simpel niet ligt. In de seizoenen 2022/23 en 2023/24 gaf de club juist fors uit, zónder sportief rendement. Andersom hield Kroes in 2024/25 de hand op de knip, met de beste prestaties in jaren (onder Farioli) als gevolg.
Het gaat dus niet om hóéveel je uitgeeft, maar om hóé.
Wat wél opvalt, is de timing. De afgelopen jaren gold het devies “eerst verkopen, dan kopen”; de kosten kwamen ná de baten. Een aankoop als deze, nog vóór de verkopen van zijn directe concurrenten zijn gerealiseerd, is een tikje agressiever. De kosten lopen vooruit op de baten is een cliché, maar er lijkt meer bewegingsruimte vroeg in het window te zijn.
Daar ligt een patroon op de loer, maar het is nog geen aantoonbare koerswijziging: één transfer maakt geen nieuw beleid. Een nieuwe RvC en directie veranderen daar voorlopig niets aan. Geen van de gebruikelijke budgetten of grenzen is aantoonbaar overschreden.
Ajax hééft simpelweg een groot budget voor transfersommen en salarissen. Een maximum van €40 miljoen totale afschrijving per jaar staat gelijk aan €175-200 miljoen aan totale transfersommen van al de aankopen in je selectie. En een salarispot voor spelers van €55-65 miljoen is veruit de grootste in de Eredivisie.
Dat zat de afgelopen jaren alleen “vast” in de verkeerde spelers: Ávila, Wijndal, Mikautadze, Van den Boomen, Akpom, Forbs. Om er een paar te noemen.
Zou de risicoafweging werkelijk veranderen, dan mag je verwachten dat de directie of RvC daarover communiceert. Ajax is beursgenoteerd en documenteert zijn financiële risico’s uitvoerig; zonder instemming van (of op zijn minst kennisgeving aan) aandeelhouders is er weinig ruimte om stilletjes een andere weg in te slaan.
4. Wat Leonardo kost, vergeleken met wat eerder werd uitgegeven
Veel namen passeerden hierboven al de revue, maar juist die vergelijking geeft perspectief. Wat nu aan Leonardo wordt besteed, is in de recente historie meermaals uitgegeven aan combinaties die weinig opleverden. Akpom en Mannsverk waren samen duurder. Sutalo en Van den Boomen overstijgen als pakket eveneens de som-Leonardo. Idem Dolberg en Moro, of Forbs en Sosa. Zo kunnen we nog wel even doorgaan.
Veelzeggend is bovendien dat juist de duurste aankopen uit de ranglijst (Bergwijn, Bassey, Sutalo, Neres) Ajax niet de meeste winst opleverden. Een grote som is met andere woorden nooit een garantie op rendement geweest; wat telt, is wat er op het gras gebeurt.
De hoop is dan ook dat Leonardo in de buurt komt van de productie van een Neres, een Antony of een Haller. Heel misschien zelfs een Tadić..? Lukt dat, dan praat niemand meer over zijn kostenplaatje.
Makkelijk is die opgave allerminst, en de tijd zal het moeten leren. Maar als referentiekader werkt de vergelijking ontnuchterend: dit is geen exorbitante uitgave, eerder een geconcentreerde gok op één speler in plaats van een gespreide op velen. Niet zonder risico, maar met andere risico’s.
5. Het financiële risico: wat als het misgaat, en wat als het lukt
Blijft de vraag welke risico’s Ajax neemt. Komt Leonardo totaal niet uit de verf, dan is verkoop na één jaar pijnlijk: er zal dan minstens dezelfde som moeten worden teruggehaald om zonder boekverlies weg te komen. Sutalo en Ávila laten zien hoe zo’n speler een blok aan het been wordt: moeilijk verkoopbaar, met een boekwaarde die maar niet zakt.
Aan de andere kant: schiet hij Ajax naar de Champions League, dan verdient hij zich niet zozeer terug in een verkoopsom als wel in indirecte effecten. Waarschijnlijk gaat híj eerst meer verdienen (via een CL-bonus) en het is goed mogelijk dat ook Al-Hilal via een bonusregeling meeprofiteert. Maar het verschil tussen wél en géén Champions League-voetbal is voor Ajax vele malen groter dan zijn transfersom, en ook de directe Europese premies. Dáár zit zijn potentiële waarde.
En dat is misschien wel het nuchterste inzicht van allemaal: Leonardo hoeft geen cashcow te worden. Niet elke speler op het veld hoeft over een paar jaar tientallen miljoenen op te leveren.
Hij is gehaald om zich sportief terug te betalen: met goals, met plaatsing, met gewonnen wedstrijden. Het opkrikken van het algehele niveau en daarmee ook de waarde van medespelers.
Een flinke plus bij verkoop zou mooi meegenomen zijn, geen voorwaarde. Het extreme scenario (twee, drie jaar knallen en dan voor een veelvoud naar de Premier League, à la Suárez of Antony) is de uitzondering, niet het uitgangspunt. Waarschijnlijker, en ruim voldoende, is het Haller-model: sportief leveren, en bij vertrek net iets meer terugkrijgen dan er is uitgegeven.
Een grote, maar geen kaderbrekende gok
Met zijn presentatie in aantocht, laten de cijfers vooral één ding zien: dit is een grote, maar geen kaderbrekende gok. Duur in het oog, beheersbaar in de boeken, met een salarishuis dat de grenzen opzoekt zonder ze aantoonbaar te overschrijden.
Daarbij is het nog vroeg en lijkt er nog van alles te gaan gebeuren in de selectie en op de transfermarkt. Of de baten de kosten inhalen, zal (zoals zo vaak) de tijd moeten leren.






