De aankondiging dat Ajax Edo Ophof officieel voordraagt als kandidaat-voetbalcommissaris, als opvolger van Danny Blind, riep onmiddellijk bekende reacties op. Dit zou “typisch Ajax” zijn: een adviseur van de Bestuursraad die via een (B)AVA moet worden goedgekeurd om toe te treden tot de Raad van Commissarissen (RvC).
De metafoor lag voor de hand: de slager die zijn eigen vlees keurt.
Die typering is begrijpelijk, maar raakt slechts een deel van de kern. Het probleem bij Ajax is al langer niet of de Vereniging invloed uitoefent, dat mag en kan, maar hoe Ajax die invloed presenteert. En precies daar schuurt de kandidatuur van Ophof.
Macht is niet het probleem — inconsistentie wel
Laten we eerst het formele kader helder maken. De Vereniging is grootaandeelhouder van Ajax N.V., bezit circa 73% van de aandelen, beschikt over vetorechten en een bijzonder aandeel. Democratisch, statutair en juridisch heeft zij daarmee het laatste woord.
Als de Vereniging ervoor kiest om inhoudelijk dichter op de N.V. te zitten, dan is dat haar goed recht.
Dat is ook niet de kern van de kritiek.
De kern is dat Ajax blijft spreken over ‘betere governance’, ‘meer professionaliteit’ en ‘duidelijke rolverdeling’, terwijl de feitelijke keuzes het tegenovergestelde laten zien.
Wie daadwerkelijk afstand wil tussen aandeelhouder en toezicht, richt zijn structuur daarop in. Wie dat niet wil, moet ophouden te doen alsof dat wél het uitgangspunt is.
De kandidatuur van Edo Ophof past niet bij een koers van grotere onafhankelijkheid van toezicht. Zij past wél bij een koers waarin de Vereniging haar invloed explicieter en directer verankert. Dat mag, maar wees daar dan eerlijk over.
Bestuursraad en RvC: een structureel patroon
Historisch gezien is deze voordracht allesbehalve uitzonderlijk. Eerder stroomden vaker leden vanuit de Bestuursraad door naar de RvC. Huidig commissaris Sirik Goeman was hiervoor Bestuursraadslid.
Ook in het bedrijfsleven en bij andere clubs is het niet ongebruikelijk dat grootaandeelhouders toezichthouders leveren. Bij Bayern München zitten bijvoorbeeld commissarissen namens aandeelhouders als Adidas, Audi en Allianz.
Het verschil is dat daar niet tegelijkertijd wordt beweerd dat men juist afstand wil creëren tussen eigenaarschap en toezicht.
Bij Ajax wordt die spanning al jaren niet opgelost, maar genegeerd.
Rolzuiverheid: hier gaat het concreet mis
De grootste bestuurlijke kwetsbaarheid zit niet in Ophofs achtergrond, maar in zijn feitelijke handelen vóór benoeming. Al geruime tijd deden geruchten de ronde dat hij betrokken was bij gesprekken met Jordi Cruijff over diens aanstelling als technisch directeur.
Dat is problematisch om twee redenen:
Als toekomstig RvC-lid:
Een commissaris hoort niet betrokken te zijn bij benoemingen voordat hij formeel benoemd is en zijn mandaat heeft.
Als informeel verlengstuk van de Vereniging:
Dan vervaagt de grens tussen aandeelhouder, toezicht en bestuur volledig.
Juist hier wordt zichtbaar waarom deze constructie meer is dan een papieren discussie. Dit gaat niet over goede intenties, maar over bestuurlijke hygiëne. En die is hier onvoldoende.
De Fluwelen Revolutie als onuitgesproken referentiekader
De naam Cruijff is bij Ajax nooit neutraal. Dat geldt ook voor deze voordracht. Binnen (delen van) de Vereniging leeft al langer de wens om via Jordi Cruijff alsnog het gedachtegoed van zijn vader Johan Cruijff institutioneel terug te brengen. De rol van Edo Ophof is in dat licht opvallend: ook tijdens de Fluwelen Revolutie werd hij door het ‘kamp Cruijff’ naar voren geschoven als voetbalcommissaris.
Dat hoeft geen bewuste strategie te zijn. Maar bestuurlijk is iets anders relevanter: zo wordt het gelezen. En perceptie is bij governance geen bijzaak, maar randvoorwaarde voor vertrouwen.
Daarbij komt een fundamentele misvatting: Jordi Cruijff is zijn vader niet.
Bovendien wordt hij technisch directeur, geen algemeen directeur. Hij gaat niet over governance, niet over bestuursstructuren en niet over het al dan niet terughalen van oud-spelers in managementfuncties. De verwachtingen die nu al op hem worden geprojecteerd, zijn bestuurlijk onrealistisch, en potentieel destructief.
Daarnaast doen onbevestigde geruchten de ronde over een informele connectie tussen Ophof en De Telegraaf, mede omdat die krant recent meerdere malen met nieuws kwam nog vóórdat Ajax dit zelf officieel maakte. Bewijs daarvoor ontbreekt, maar het voedt wel het beeld van informele lijnen die bestuurlijk gevoelig liggen.
Juridische realiteit: de uitzondering ligt voor de hand
Formeel geldt dat de Raad van Commissarissen moet voldoen aan het wettelijk man-vrouwquotum van minimaal één derde. In de huidige samenstelling is dat niet het geval, wat betekent dat de eerstvolgende benoeming in beginsel een vrouw zou moeten zijn. Alleen onder uitzonderlijke omstandigheden mag daarvan worden afgeweken; anders is een benoeming zelfs nietig.
In de praktijk is het echter realistisch dat Ajax zich op die uitzondering zal beroepen, en waarschijnlijk ook met succes.
De RvC functioneert al sinds september jl. met drie leden in plaats van vijf, en feitelijk zelfs met twee actieve commissarissen, omdat Danny Blind zich tot formele momenten beperkt. Tegelijkertijd is het commissariaat bij Ajax aantoonbaar intensief: tijdens de laatste AVA werd nogmaals benadrukt dat de vergaderfrequentie en werkdruk aanzienlijk hoger liggen dan gebruikelijk.

Daar komt bij dat het, gezien het recente verleden met meerdere voortijdig vertrokken commissarissen, al moeilijk genoeg blijkt om überhaupt kandidaten te vinden, laat staan iemand met een technisch profiel en/of een vrouw die bereid is zich in deze bestuurlijke context te begeven.
Ajax hoeft dat slechts te motiveren; een diepgaand extern onderzoek is daarvoor niet vereist.
Dat maakt deze kwestie des te wranger. Niet omdat de uitzondering juridisch onhoudbaar zou zijn, maar omdat zij past in een langer patroon. Ajax kampt al jaren met verhalen over een gesloten, overwegend mannelijke cultuur, juist ook in bestuurlijke en technische lagen. Dat de club zich nu opnieuw op praktische onmogelijkheid kan beroepen, voelt daardoor minder als incident en meer als bevestiging van een structureel probleem.
Een RvC die zichzelf laat onderzoeken
Tegelijkertijd kondigde de RvC aan een onderzoek te willen laten doen naar de bestuursstructuur, maar pas zodra de RvC weer compleet is. Daarmee creëert Ajax een merkwaardige situatie: een nieuwe RvC die haar eigen functioneren laat evalueren.
En niemand schrijft graag zijn eigen exit-rapport.
Dat ondermijnt het doel van zo’n onderzoek. Een governance-evaluatie is bedoeld om ruimte te creëren voor correctie, niet om bestaande verhoudingen te legitimeren. Dat Ajax dit traject koppelt aan het eerst vullen van vacatures, suggereert dat continuïteit belangrijker is dan reflectie.
Edo Ophof: Ajax-kennis is geen toezichtservaring
Over Ophof zelf kan weinig twijfel bestaan: hij kent Ajax door en door. Maar kennis van de club is iets anders dan aantoonbare ervaring als toezichthouder. Zijn eerdere commissarisrol bij NEC ligt ver in het verleden en was niet onomstreden.
Voor een club die zegt haar governance te willen verbeteren, is dat een dun profiel.
Het risico is duidelijk: rolonzuiverheid verpakt als clubkennis.
Conclusie: dit is geen vernieuwing, maar bevestiging
Formeel is de voordracht van Edo Ophof te verdedigen. Juridisch kan het, statutair mag het en democratisch is het gelegitimeerd. Maar wie dit presenteert als stap richting betere governance, doet aan zelfmisleiding.
Als de Vereniging bewust kiest voor meer directe invloed op de N.V., dan is dat haar recht. Maar verander dan ook het verhaal. Stop met spreken over afstand en onafhankelijkheid, en benoem openlijk dat Ajax kiest voor een model waarin de aandeelhouder nadrukkelijk aan het stuur zit.
Zolang Ajax dat niet doet, blijft elke nieuwe benoeming, en zeker deze, vooral één ding uitstralen: niet bestuurlijke vooruitgang, maar bestuurlijke hardnekkigheid.



